Zondag
Het is zondag, maar dan echt zo’n typische zondag-zondag. Zo’n zondag waarop de Arnhemmers tevreden zijn, waarop de stemming neigt naar optimisme en waarop maandag nog heel ver weg lijkt. Ik ben aan het werk in het café. De muziek speelt zacht, gasten drinken in kleine groepjes wijn of bier en lachen om het leven of elkaar.
Als ze binnen komen lopen ben ik even van mijn à propos. Als geoefend barvrouw zie ik direct in welke relatie mensen tot elkaar staan als ze de deur binnenstappen. Een groepje vrienden, collega’s, een getrouwd stel of stiekeme geliefden. Allemaal stralen ze bewust of onbewust signalen uit die de onderlinge verhouding verraden, maar dit duo kan ik niet plaatsen en dat intrigeert me.
Het ongewone gezelschap stapt luidruchtig op de bar af. De één lang, donkerharig en verzorgd. Netjes, ambtelijk bijna. Beheerst, bescheiden en voorkomend, maar met een speelse glimlach. De ander is luidruchtig, langharig en nonchalant. Zijn overhemd hangt half uit zijn versleten broek. De blinkende en plagerige lichtjes in zijn ogen kijken dwars door iedere zorgvuldig opgebouwde façade heen. De twee mannen lijken in niets op elkaar. Ze bestellen een fles rode wijn en kiezen een tafel in de hoek, waar ze geanimeerd beginnen te praten.
Tijdens de uren die volgen vloeit de wijn rijkelijk en vang ik flarden op van herinneringen die ze met een aanstekelijke levenslust delen. Het zijn herinneringen aan elkaar, aan hun vriendschap. Ze lijken elkaar al lang te kennen. Steeds als ik hun glazen bijschenk word ik iets wijzer over hun geschiedenis; ze komen net terug van een dancefeest in Berlijn. Ik lach, omdat ik dat nooit achter ze gezocht had en omdat het daarom precies bij hen past.
Mijn baas wenkt me en zegt dat ik wel mag stoppen voor vandaag. Het is rustig en hij kan het verder wel alleen af. Ik twijfel, want ik moet de volgende dag vroeg op, maar de mannen hebben al een extra glas wijn klaarstaan en wijzen met grote gebaren naar de vrije stoel.
Als trio zijn we nog opmerkelijker dan zij al waren als duo, maar het klopt. We praten over het leven. Over tegenslagen en twijfel. Over alles kwijtraken wat je bezit en erachter komen dat het niet uitmaakt, omdat een vriendschap zoals die van hen de rijkdom is die er toe doet. We drinken, lachen en even zie ik het leven zoals ze is zonder decoratie. Puur, soms rot, maar overwegend mooi als je haar zonder oordeel tegemoet treedt.
Dit verhaal verscheen eerder op de website Arnhem Dichtbij.
Bucketlist
Het was een grauwe donderdagavond in januari. De regen kletterde tegen het dakraam en we waren allebei strontchagrijnig, moe en misschien ook wel ongesteld. De jaarwisseling was een kleine twee weken eerder nog teleurstellender geweest dan ooit. Goede voornemens maakten we niet, dus er was geen vleugje valse hoop te vinden waar we ons humeur enigszins aan op konden trekken. Vriendin Maureen en ik vonden er even geen bal meer aan, dit leven. Veel te druk met dingen waar we absoluut niet druk mee wilden zijn. Stom werk, ingewikkelde ruzies, verse exen en meer van dat soort libidoverlagende gedoetjes waar je van gaat zuchten.
Om onze suïcide-opwekkende dialoog te doorbreken vroeg ik haar wat ze écht nog zou willen doen in haar leven. Voor ze dood gaat, of ernstig verlamd raakt of zoiets. Voor het te laat is, in ieder geval. Haar antwoord volgde zo snel als haar vingers op haar iPhone kunnen typen. Of nou ja, de lijst met antwoorden, want het waren er nogal wat. Als ik het beknopt samenvat komt het neer op: Wonen op drie verschillende plaatsen in de wereld, die ene reis maken, een boek schrijven, een nieuwe studie afronden en tegelijkertijd vooral veel rust vinden. Ambitieus, oordeelde ik, maar na wat gemijmer kwam mijn lijst ongeveer op hetzelfde neer.
Vandaag dacht ik terug aan dit gesprek, toen ik een artikel las over de Australische verpleegster Bronnie Ware. Zij verzorgde jarenlang mensen in de laatste weken van hun leven en ze legde hen allemaal dezelfde vraag voor: Wat betreur je het meest in je leven? De antwoorden kwamen verrassend vaak op hetzelfde neer. De top vijf van antwoorden die Bronnie Ware vastlegde ziet er als volgt uit:
1. Ik wilde dat ik de moed had gehad om het leven te leiden dat ik mezelf had gegund, in plaats van het leven dat anderen van me verwachtten.
2. Ik wilde dat ik niet zo hard had gewerkt.
3. Ik wilde dat ik de moed had gehad om mijn gevoelens te uitten.
4. Ik wilde dat ik in contact was gebleven met mijn vrienden.
5. Ik wilde dat ik mezelf gelukkiger had laten zijn.
Geen mens repte over wonen in het buitenland, een boek schrijven of de Mount Everest beklimmen. Ze wensten dat ze beter naar zichzelf geluisterd hadden en zich minder hadden laten leiden door de mening van anderen. Ze wensten dat ze zichzelf meer geluk hadden gegund en geen genoegen hadden genomen met hun middelmatige bestaan. Mijn bucketlist leek ineens zo nietszeggend, dus sinds vandaag zijn alle grootse plannen vervangen door één nog veel ambitieuzer doel, namelijk: Simpelweg gelukkig zijn.
Deze column verscheen eerder op Tekstroulette.
Nacht
Het is dat magische moment waarop de nacht overgaat in de ochtend. De straten zijn grotendeels verlaten en in de verte veegt een bezemwagen de laatste bewijzen van de voorbije avond weg. Op mijn voetstappen na is er amper geluid. Als ik me concentreer hoor ik een tikkend elektriciteitskastje en veel verder weg de gil van een krolse kat. Het is een van de mooiste bijkomstigheden van het bestaan als barvrouw: leven als de stad slaapt. Het is een gelukzalig gevoel om na een avond hard werken in nog hardere muziek, op het randje van de ochtend naar huis te lopen. Arnhem is dan op haar mooist, daar twijfel ik niet over.
Voor een enkeling is de dag al begonnen. Een hippe dertiger staat frisgewassen en met een heldere blik op de eerste bus te wachten. Ik weet zeker dat hij ruikt naar tandpasta en douchegel. Terwijl hij een appel naar zijn mond brengt, volgen zijn ogen een leeftijdsgenoot die in beschonken toestand naar huis probeert te raken. Dat laatste valt niet mee, want hij heeft zichtbaar moeite om zijn ene voet voor de andere te zetten. In zijn hand bungelt een halfopgegeten broodje kroket. Zijn fiets haalt hij morgen wel op. De tegenstrijdigheid van het moment is in die twee mannen gevat. Surreëel, maar levensecht.
Terwijl ik verder loop voel ik de geliefde, beschermende deken van de nacht langzaam van me af glijden. De nacht maakt dingen mooier, stompt de scherpe hoekjes af. Het valt niemand op dat mijn haar niet meer zit zoals het hoort en dat er een ladder in mijn panty ontstaat. Ik stink naar alcohol en rook, maar ook dat kan de nacht niets schelen. Bij iedere stap die ik zet dringt de rationele ochtend zich echter verder op. Ik word me bewuster van mijn voorkomen en voel dat ik over enkele momenten niet meer in het straatbeeld thuis hoor. Gelukkig ben ik bijna thuis. Ik zwaai gauw even naar mijn buurman die met de slaap nog in zijn ogen de hond uitlaat en stap naar binnen. Om te slapen als de stad leeft.
Dit verhaal verscheen eerder op de website ArnhemDichtbij.
Herinneren
Ik herinner het me. Ik herinner het me heel goed. Het is wonderlijk hoe sommige momenten worden opgeslagen in het geheugen. Hersenen hebben een constante stroom van informatie te verwerken; beelden, geluiden, geuren. Het gevoel van de stugge stof van de bank langs mijn vingertoppen, terwijl ik de smaak van wijn proef achterop mijn tong. Totaal willekeurige elementen worden geregistreerd. De meeste daarvan halen het niet tot het bewustzijn, maar worden ergens halverwege als niet belangrijk gemarkeerd. Razendsnel wordt bepaald of een moment het herinneren waard is. Vertrouwde muziek hangt als een lome zomerdag in de lucht. De meeste herinneringen bestaan slechts uit één of hoogstens een paar zintuigen. Ik herinner me bijvoorbeeld een geluid. Of een geur. Dat roept een context op, maar zelden is die context een rechtstreekse registratie van het moment waarop de herinnering werd opgeslagen.
Je parfum bereikt zo nu en dan subtiel mijn neus. Ik wil me voorover buigen en je hals ruiken. Aanraken. Slechts in een enkel geval is een moment zo het herinneren waard, dat alle zintuigen tegelijkertijd hun registratie vastleggen. Op dat bewuste moment ontbreekt dat besef volledig, maar iets in het lichaam weet dan al dat het ooit waardevol zal zijn. Je brengt je hoofd dichter bij het mijne en streelt mijn haar uit mijn gezicht. Het kietelt langs mijn wang. Dit soort herinneringen worden niet opgeslagen omdat ze later misschien van pas komen, of omdat ze nuttig zijn. Ik voel de stof van je kleding en daaronder de warmte van je huid. Mijn hand langs je billen, je borsten, je adem ruikt naar alcohol en sigaretten. Ze worden opgeslagen om herbeleefd te worden. Keer op keer. Op momenten waarop ze niet worden verwacht en waar ze niets te zoeken hebben.
Je zucht alsof je even vergat te ademen. We maken ons los uit de omhelzing en eindelijk zijn daar je lippen. God ja, je lippen. Het gekke van dit soort herinneringen is dat ze geen gewoonte worden. Je kreunt zacht terwijl ik plagend op je onderlip bijt. Iedere keer dat ze overvallen zijn ze weer even sterk. Alle zintuigen halen hun bijdrage naar boven en het moment waarop ze bij elkaar komen is net zo intens als het moment zelf. Je zakt wat achterover en daar is het. Nog steeds. Na honderden keren herbeleven. Het moment. Ik krijg kippenvel en kriebels in mijn onderbuik. Je blik. Die ene blik. Je blik vol belofte. De belofte van je dijen, je borsten, je handen in mijn haar en veel later je voldane glimlach. De belofte van je zachte lippen op mijn slaperige rug, in het ochtendlicht. Ze hebben geen praktisch nut, maar ze herinneren aan de gedachte dat het leven zo ontzettend de moeite waard is. Al is het maar door dat ene perfecte moment.
Dingen die stom zijn
Dat ik thuis kom en er ineens een bord ‘Te Huur’ op het raam hangt.
Dat de wasmachine niet lacht om mijn grapjes.
Dat tupperwarebakjes tegenwoordig bij mijn dagelijkse routine horen.
Dat ik de helft van de week uit diezelfde tupperwarebakjes eet.
Dat het zo verdomd ongezellig is om uit tupperwarebakjes te eten.
Dat ik blij ben, maar niemand kan opvrolijken met mijn luchtige humeur.
Dat ze vroeger mooiere muziek maakten dan nu, maar dat ik er wel om moet huilen.
Dat het ineens onmogelijk lijkt om het dekbed in mijn eentje in het overtrek te krijgen, terwijl ik dat vroeger altijd wel kon.
Dat het zo stil is in huis. En dat ik dan ga nadenken.
Dat het koud is, alleen in bed.
Dat die kruik niet mijn voeten en lijf tegelijkertijd kan opwarmen.
Dat de fles rode wijn een stuk ongezelliger is als ik hem alleen leegdrink.
Dat ik daarom nog meer flessen wijn leegdrink.
Dat de chocoladekoekjes nu ineens wel in het keukenkastje blijven liggen en dat het dus al die tijd niet de kaboutertjes waren.
Dat ik iedere dag het huis opruim, maar dat niemand trots op me is.
Dat ik me soms probeer te verstoppen voor het leven.
Dat die trut me altijd veel te snel weer weet te vinden.
Dat ik weer weet dat de liefde licht en lief is, maar minstens zo verwarrend en ongrijpbaar.
Dat de juiste beslissingen niet per se het makkelijkst zijn.